On Tour met Brian Holm, deel 2

Elk jaar verbaas ik me weer hoe groot de Tour is. Ik weet uit ervaring dat het niet zo is, want dat word ik gek. Ik kijk er niet altijd naar uit als een groot kind naar Kerstmis. Maar elke keer als je gaat, word je erin gezogen. Ik sprak met Brama en vroeg hem hoe het kon zijn dat het al rit 9 is.  Ook met de Deense televisie. We waren echter zo druk dat ik dacht dat het donderdag was in plaats van vrijdag. Dat bedoel ik dus, je verliest alles. Je weet niet meer waar je bent. Soms heb je een kaart of boek nodig om te checken welke rit het is. Je wordt gewoon verward. Ik kijk zelfs tijdens de rit op de kaart om te ontdekken waar we zijn. Ik heb een grote kaart die ik elke drie dagen moet openen omdat de dagen allemaal op elkaar lijken. Maar weet je, ik vind het geweld om hier te zijn als het druk is. Het is erg spannend.

Ik ben erg blij, maar ik ben ook teleurgesteld. Toen Tony leek reed in de proloog had iedereen een sportpsycholoog nodig. Ik was echt down. Iemand zei toen ‘nu hebben ons ongeluk gehad. Het is al zo slecht gegaan, slechter kan niet”. Om niet pessimistisch over te komen zei ik dat diegene zich stil moest houden. We hadden onze pech wel gehad. De dag daarna was er echter een valpartij. Niet een grote valpartij, maar wel genoeg om zijn hand te breken. Ik vroeg hoe het met hem ging, Tony zei ‘ok, geen problemen’.  Maar na 120 kilometer kwam hij weer bij de auto en vroeg hij om een röntgenfoto, dan weet je wel hoe laat het is. Wanneer Tony om een röntgenfoto vraagt, dan is het niet om een gebroken nagel. Dan is het meteen serieus. Dus na de goede berichten in eerste instantie, waren we daarna niet meer zo optimistisch zo optimistisch in de ploegleidersauto. Velits reed nog lek, Pineau botste op iemand en werd geraakt aan zijn schouder. Het was net een ziekenhuis in de bus. Het werd een lange avond, wachtend op nieuws over Tony en Jerome en of ze wel konden starten de volgende dag. Mensen weten dat ik de volgende dag een beetje show heb opgevoerd, maar ik had niet goed geslapen. Ik denk dat het 9 uur was voordat we wisten dat ze konden starten. Ons plan was om de eerste lange tijdrit te halen en daarna verder te zien. Voor de overige renners kijken we na de tijdrit verder.

Wat mezelf betreft gaat het goed, maar niet fantastisch. Ik had graag gezegd dat ik op vrije momenten was gaan lopen, maar door kniepijn komt dat er niet van. Door alle valpartijen wil ik daar geen groot drama van maken. Ik heb niet eens tijd gehad om de doctor te vragen, want hij is veel te druk met de renners. Ik vertelde mensen van de tv over de kniepijn, maar niemand geeft er echt om. Dus ik moet er maar mee leven.

Ik ben echt blij met de hotels. Ik vind het er altijd fijn. Mensen vragen me wel eens of ik de hotelkamers niet beu raak. En ik geef dan steevast als antwoord: nee! Ik ging zelfs met mijn vrouw naar Kopenhagen voor een hotelovernachting. Ik hou echt van hotels. Je kunt daar lekker een boek lezen en alles vergeten. Zelfs in de hotels in Campanile, waar je een kopje thee kunt nemen op je kamer en met je boek kunt gaan slapen. Ik denk dat dat het onderscheid maakt tussen Campanile en de andere hotels: de thee die je elke avond kunt maken. Je hoort mij nooit klagen over de hotels. Ik ben een beetje verslaafd na al die jaren, vooral wanneer ik tegen mijn vrouw zeg ‘laten we naar het hotel in Kopenhagen gaan.”